Strottenhoofdkanker: opereren met minder complicaties

In Nederland ondergaan jaarlijks zo’n 160 patiënten een ‘totale laryngectomie’, een verwijdering van het strottenhoofd. Hoewel deze operatie op zichzelf al erg ingrijpend is (praten en ademen gaan daarna anders), ontwikkelt ongeveer een kwart van de patiënten ook nog eens een fistel: dat is een ernstige wondgenezingsstoornis waarbij een open verbinding tussen de binnenkant van de nieuwe keel en huid ontstaat. Dit maakt het traject na de operatie veel ingewikkelder. Zo liggen deze patiënten langer in het ziekenhuis, is er meer kans op infecties en bloedingen, zijn ze langer afhankelijk van sondevoeding en duurt het langer voordat een eventuele nabehandeling kan starten en met spraakrevalidatie begonnen kan worden.

Een fistel kun je behandelen door het af te sluiten met een stukje getransplanteerd spierweefsel (hiervoor gebruiken chirurgen een stuk van de borstspier), maar deze behandeling slaagt helaas niet altijd. Het gebied is door de eerdere operatie en bijkomende infectie dan namelijk erg verzwakt. Eigenlijk is het dus beter om zo’n fistel te voorkomen dan te genezen.

Dat is precies wat hoofd-halschirurgen in het UMC Utrecht met hun collega’s in het land in dit onderzoek willen gaan doen. Met CT- en MRI-scans vóór de operatie, verwachten ze patiënten te kunnen selecteren die een verhoogd risico hebben op een fistel. In deze studie krijgt één helft van de deze patiënten dan voor de operatie al zo’n spiertransplantatie en de andere helft niet. Zo kan de meerwaarde van een dergelijke spiertransplantatie het beste onderzocht worden. De verwachting is dat deze ingreep het risico op een fistel na de operatie flink kan verminderen.

Prof. dr. Remco de Bree van het UMC Utrecht